2. Rol sociale partners en medezeggenschapsorganen

De mogelijkheid om van de wet afwijkende afspraken te maken, is voor de sportsector van groot belang. Het biedt de werkgever en werknemer in de sport een zekere flexibiliteit en de kans om tot regelingen te komen die naar hun oordeel beter passen in het arbeidsvoorwaardenpakket en bij de wensen van werkgever(s) en werknemers.

Voor een aantal verlofregelingen die in de WAZ zijn opgenomen, is het mogelijk om van de wet afwijkende afspraken te maken in een CAO. De sociale partners in de sport zijn het echter met elkaar eens dat de verlofregelingen, uitgangspunten en aanbevelingen zoals verwoord in de WAZ voldoende waarborgen bieden om te voldoen aan een passende combinatie van arbeid en zorg. In de CAO-Sport is afgesproken dat de wettelijke regelingen in de sportwereld van toepassing zijn. Dat wil niet zeggen dat in overleg tussen werkgever en werknemer geen aanvullende afspraken meer kunnen worden gemaakt. Afspraken ten gunste van de werknemer die aanvullend zijn op de wettelijke regeling kunnen altijd. Afwijkende afspraken zijn mogelijk ten aanzien van: calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, kraamverlof, kortdurend zorgverlof, langdurend zorgverlof en – in zeer beperkte mate – ouderschapsverlof. Bij een aantal verlofvormen kan daarnaast via een schriftelijke overeenkomst met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging worden afgeweken.

In de CAO-Sport wordt in artikel 30 en artikel 31 de WAZ genoemd. Artikel 30 lid 5 van de CAO-Sport bepaalt dat de pensioenopbouw van werknemers die van ouderschapsverlof gebruik maken, niet nadelig wordt beïnvloed. Sociale partners hebben in de CAO-Sport geen afspraken gemaakt die minder of andere rechten geven aan werknemers dan de wet noemt. Integendeel. De afspraak over pensioenopbouw geeft werknemers meer rechten dan de wet voorschrijft. Werkgevers wordt aanbevolen om, voordat zij overwegen afwijkende afspraken met het medezeggenschapsorgaan te maken, de CAO-Sport door te lichten op eventuele bepalingen die een dergelijke afspraak in de weg kunnen staan.

De geldigheidsduur van dergelijke afspraken met de ondernemingsraad of bij ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging, is per 1 juni 2005 op vijf jaar gesteld. De overeengekomen regelingen kunnen niet voortijdig eenzijdig worden opgezegd door de werkgever of door de ondernemingsraad dan wel de personeelsvertegenwoordiging. Partijen kunnen desgewenst een kortere looptijd afspreken. Bij wijziging van de van de collectieve regeling waarin afwijkende bepalingen zonder expliciet bepaalde geldingsduur zijn opgenomen gaat ten aanzien van de afwijking een nieuw tijdvak lopen. Een dergelijke ‘verlenging’ kan worden voorkomen door ten aanzien van de afwijking expliciet een geldingsduur te bepalen.